1. Home
  2. Knowledge Base
  3. Panning

Panning

Bij de techniek panning krijg je extra beweging in je foto. Je komt het vaak tegen bij racesportfoto’s. Je krijgt dan een scherp onderwerp met een gestreepte achtergrond. Je benadrukt hiermee de beweging. Panning komt uit het Engels. Pannen is het meetrekken van je fotocamera met een snel onderwerp. Pannen zien we terug in de videotechnologie; een beeld dat breder is dan het scherm wordt horizontaal gescrold. Met je fotocamera kan je dus ook heel goed beweging vastleggen en de achtergrond laten vervagen. Over het algemeen is het wel zo dat hoe sneller het onderwerp is, hoe makkelijker je dit voor elkaar krijgt.

Panning

Techniek

Bij panning beweegt de fotograaf met de camera mee met het snelle onderwerp. Panning is een techniek die erg populair is. Het zorgt voor dynamische foto’s. Om dit soort foto’s te maken zijn er een aantal punten belangrijk. De brandpuntsafstand, de sluitertijd en de snelheid van het bewegende onderwerp of de snelheid waarmee je de camera meetrekt.

Onderwerp

Als je aan de slag gaat met panning is het niet nodig om naar een racecircuit of vliegveld te gaan. Je kan om te beginnen het beste eerst in je eigen omgeving gaan oefenen. Zoek een drukke weg op. Zorg er wel voor dat je op een veilige plek gaat staan en dat je niemand hindert. Je kan de techniek bijvoorbeeld toepassen op een voorbijrijdende bus, fietser, auto of brommer. Zorg er (bij voorkeur) voor dat het onderwerp van links naar rechts of andersom beweegt. Als het onderwerp schuin naar je toekomt is het effect minder goed zichtbaar.

Panning

Objectief

Op het circuit zie je de fotografen vaak grote teleobjectieven gebruiken. Met deze objectieven kun je enorm ver inzoomen, waardoor je ook het effect van panning goed kan maken op grote afstand. Op een kruispunt bij jezelf in de buurt kun je met een 18mm-objectief (een standaardobjectief) ook mooie panningfoto’s maken. Een zoomobjectief van 70 mm of hoger mag natuurlijk ook, maar je hebt vaak niet de ruimte om op grotere afstand te gaan staan.

Onderwerp volgen

Zorg ervoor dat je het onderwerp al van tevoren in je zoeker hebt en volgt voordat je de foto wilt gaan maken. Ga je het onderwerp pas volgen op het moment dat je de foto maakt, dan ben je te laat en krijg je een onscherpe foto.

Autofocus

Bij het meetrekken is het belangrijk dat de camera het onderwerp scherp houdt. Gebruik de Al-Servo-stand (Canon) of AF-C-stand (Nikon). Je stelt scherp op het onderwerp door de ontspanknop half in te drukken. De camera zal dan ‘continu’ het onderwerp scherp blijven houden, ook als je meebeweegt met het onderwerp.

Panning

Sluitertijd

Bij panning is de sluitertijd de belangrijkste instelling. Gebruik de sluitertijdvoorkeuze (TV- of S-stand). Zo kun je zelf de juiste sluitertijd bepalen. Begin bij een sluitertijd van 1/125. Is het onderwerp en de achtergrond teveel bevroren, dan stel je steeds een langzamere sluitertijd in tot 1/30. Kijk zelf welke sluitertijd voor jou het mooiste effect geeft. De sluitertijd is afhankelijk van het onderwerp. Bij het gebruik van een sluitertijd 1/30 kan het voorkomen dat het onderwerp niet scherp is. Gebruik dan een iets snellere sluitertijd. Bij het gebruik van de sluitertijdvoorkeuze is het wel belangrijk dat je de ISO op automatisch hebt staan. Wil je de controle over alle instellingen, gebruik dan de handmatige stand (M-stand).

Compositie en snel object

Het bepalen van de compositie kan lastig zijn. Je beweegt tenslotte mee met het onderwerp. Met een snel onderwerp is het makkelijker om te pannen. Bij een auto die bijvoorbeeld 80 kilometer per uur rijdt zal de meebeweging sneller zijn dan bij een auto die maar 30 kilometer per uur rijdt. Het is makkelijker om een snelle beweging te maken dan een langzame beweging. Bij een langzame beweging heb je meer kans op schokken. Zorg dat je even snel beweegt als het onderwerp. Let ook op de achtergrond, zorg voor contrastverschil tussen het onderwerp en de achtergrond.

Burst-modus/Continumodus

Gebruik de burst-modus/continumodus om meerdere foto’s achter elkaar te maken. Bij een trage geheugenkaart kan het voorkomen dat je buffer snel vol raakt. De camera moet namelijk ook alle gemaakte foto’s verwerken. Je kunt dus het beste een snelle geheugenkaart gebruiken.

Panning

Stabilisatie uit

Zet de stabilisatie op je lens uit. Normaal gesproken zorgt de stabilisatie voor de correctie van de beweging maar in dit geval komt dat niet ten goede op de foto.

Statief

Je kunt het jezelf bij panning makkelijker maken door een statief te gebruiken. De beweging zal dan soepeler zijn. Niet ieder statief is hiervoor geschikt. Monopods en balhoofdstatieven zijn het meest geschikt. Bij het fotograferen vanaf het statief zet je altijd je stabilisatie uit.

Overbelichte foto

Bij het gebruik van een langzame sluitertijd kan het voorkomen dat je snel een overbelichte foto krijgt. Zorg voor een lage ISO (ISO 100) en voor een kleiner diafragma om de sluitertijd te compenseren.

Panning

Samengevat:

  • Gebruik voor panning Al Servo-stand.
  • Richt je scherpstelpunt op je onderwerp.
  • Houd de ontspanknop ingedrukt.
  • Volg het onderwerp en maak de foto wanneer gewenst.
  • Fotografeer in de sluitertijdvoorkeuze (S/Tv-stand).
  • Stel de sluitertijd in tussen 1/30 – 1/125 (afhankelijk van het onderwerp).
  • Stel de scherpstelmodus in op continu.
  • Maak meerdere foto’s achter elkaar.
  • Zorg voor een rustige achtergrond, denk ook aan contrastverschil.

De panningtechniek is niet de makkelijkste techniek om te gebruiken in de fotografie. Je zult echt moeten oefenen. Oefening baart kunst. Met bovenstaande tips zal het je uiteindelijk ook lukken.

Veel plezier! #blijfklikken


Was dit artikel nuttig?